Hoe schaal je liefde?

-

Hoi, Ed en Chris hier. Al meer dan tien jaar adviseren wij overheden en bedrijven over onze veranderende wereld. In deze nieuwsbrief schrijven we elke week over historische verschuivingen, maatschappelijke denkramen, geloofwaardige toekomstscenario’s en de visionaire poëtica van speculatieve fictie 🖖🏾

Vorige week publiceerde Marc Andreessen, oprichter van Netscape en durfinvesteerder, The Techno-Optimist Manifesto. Een nieuwe toevoeging aan de canon van techno-optimistische manifesten. Het zijn er nogal wat. Deze week delen we wat gedachten hierover en over ons eigen ‘techno-optimisme’, wat bij ons neerkomt op het kunnen schalen van ‘liefde’ – techno-love dus.

Het wordt een liefdevolle editie.

Maar eerst even een shout-out naar het Warming Up Festival. Het wordt georganiseerd door de Tolhuistuin – waar onze studio is gevestigd. Het festival verkent de natuur- en klimaattransitie via allerlei inspirerende en activistische kunst- en mediaprojecten. De derde editie vindt plaats van 26 t/m 30 oktober. Dit weekend dus. Aanrader. ✊🏾🌳✨

En een heads-up voor fans van Mœbius en/of Studio Ghibli. Christiaan en dochter (6) waren dit weekend op Cinekid waar ze Sirocco en het koninkrijk van de wind zagen, een animatie van Benoît Chieux. Beiden verlieten awe struck de bioscoop. De film vertelt het verhaal van twee zusjes die verstrikt raken in een denkbeeldige wereld. Zie hier de trailer en hier een talk met de regisseur. Waarschijnlijk komt de film deze winter in de bioscoop. Voor liefhebbers van poëtische world building en liefdevolle scenario’s. ❤️

En, speaking of love:

Uw favoriete toekomstbrief wordt door steeds meer mensen gelezen. Dat vervult ons van blijdschap, want we stoppen er mucho liefde in. Maar we hebben er ook kosten aan. Door betaald lid te worden help je ons de Atlas van het Lange Nu te bestendigen. Want liefde gedijt altijd beter in wederkerigheid: ❤️+❤️ = ❤️❤️❤️❤️❤️ (= Exponential love logic)

MAAK LIEFDE, WORD BETAALD LID

Hoe schaal je liefde?

De jaren negentig waren optimistische jaren in het Westen. De Sovjet-Unie was gevallen, het internet beloofde een wereld van overvloed en gelijkheid en Francis Fukuyama gaf de tijdsgeest extra pepers in de bibs door pardoes het Einde van de Geschiedenis aan te kondigen. De mensheid was af: Westerse liberale democratie was de laatste halte. Bijna drie decennia later is er weinig over van dit optimisme.

Volgens velen zijn de instituties van de liberale democratie op sterven na dood. Een veelgehoorde diagnose is digitalitus: de bureaucratische rechtstaat lijkt in toenemende mate onverenigbaar met de Digitale Revolutie. Deze conclusie lijkt het cultureel-progressieve kamp te delen met het libertijns-technologische kamp. De voorgestelde behandeling verschilt, uiteraard, per kamp.

Volgens cultureel-progressieven moet de Digitale Revolutie hard aan banden worden gelegd, volgens techno-libertijnen zijn het de bureaucratische instituties – en dan met name het centralistische aspect hiervan – die ingeperkt moeten worden. Of zoals Andreessen het verwoordt in zijn Techno-Optimist Manifesto:

We believe central planning is a doom loop; markets are an upward spiral.

Containerbegrippen als ‘cultureel-progressief’ en ‘libertijns-technologisch’ zijn uiteraard problematisch. Maar ze geven wel een groeiende breuklijn aan waarlangs steeds meer meningsvorming plaatsvindt. En als er één iemand is voor wie de labels ‘libertijn’ en ‘technologisch’ gemaakt lijken, dan is het Marc Andreessen.

Zijn manifest bestaat uit de gebruikelijke lofzang op marktwerking en technologische ontwikkeling als de dual motor van vooruitgang, wat zich vertaalt naar comfortabelere en zinvollere levenservaringen voor steeds meer mensen. Gemotiveerde mensen die zich inzetten voor nog meer productie en innovatie:

We believe the techno-capital machine of markets and innovation never ends, but instead spirals continuously upward.

Met veel dingen die hij zegt zijn we het best eens: de markt is een krachtig platform voor de regulatie van nut en ook technologie is handig. (Christiaan moet hierbij altijd denken aan zijn bril, die zonder markt en technologie niet mogelijk was geweest. Zonder was hij al lang opgegeten door een beer of wolf – die uiteraard wél profiteren van een wereld zonder technologie en marktwerking.)

Maar op belangrijke punten denken we dat Andreessen zaken over het hoofd ziet. Vermoedelijk komt dit omdat hij de sociale wetenschappen vernauwt tot de economie en sociaalwetenschappelijke theorie verwart met exacte bewijsvoering. Dat trekt toch een beetje het kleed onder zijn betoog vandaan.   

The Techno-Optimist Manifesto is een opsomming van eindeloos veel stellingen die een goed beeld geven van de technogung-ho-vibes die bij Andreessen en vele anderen in Silicon Valley de norm zijn. Het is de moeite van het lezen waard. Een goede slijpsteen voor het eigen denken.

Voor ons was deze passage de sleutel tot het stuk:

David Friedman points out that people only do things for other people for three reasons – love, money, or force. Love doesn’t scale, so the economy can only run on money or force. The force experiment has been run and found wanting. Let’s stick with money.

Dat brengt ons terug bij liefde, het thema van deze nieuwsbrief.

We kenden David Friedman niet. Een snelle blik op Wikipedia leert ons dat Friedman een chemicus en natuurkundige is die zich later is gaan specialiseren in de sociale wetenschap. Dat doet vermoeden dat hij een nogal wetmatige kijk heeft op menselijk gedrag. Hij beschrijft zichzelf als een anarcho-kapitalist, een ideaal dat uitgaat van een staatloze, zelfregulerende samenleving dat draait om zelfbeschikking en individueel eigendom.

De staatloze samenleving gaat ervan uit dat alles beter kan worden opgelost door een privaat bedrijf dan door een centralistische bureaucratie. Het is een populaire wensdroom, zeker in de hoofden van veel oligarchen, zoals Andreessen.

Terug naar bovenstaande passage. Wij werden in eerste instantie gegrepen door deze zinsnede:

…people only do things for other people for three reasons – love, money, or force.

Het motivatiedrieluik force, money en love resoneert opvallend nauw met ons drieluik van historisch-futuristische kennistradities: de Homo Nobilis (force); de Homo Economicus (money); en de Homo Romanticus (love).

Wij hebben ons helaas nog niet uitvoerig kunnen verdiepen in hoe Friedman deze drie begrippen uitlegt, maar uitgaande van de passage uit The Techno-Optimist Manifesto wordt force afgeserveerd als niet nobel of ideëel genoeg en wordt love weggezet als niet schaalbaar. Met beide zijn we het niet eens, om verschillende redenen.

Geweld of dwang afserveren als mislukt experiment zorgt er niet voor dat het er niet meer is. Was het maar zo’n feest. Geweld of dwang is voor veel mensen nog steeds een optie. Ze kunnen het toepassen op zichzelf, op elkaar en op hun omgeving. Zeggen dat het niet ideaal is, of niet efficiënt, maakt niet dat mensen het niet meer zullen doen. Je zult dus een ordeningsplatform moeten hebben om geweld en dwang te reguleren. En dat is, van oudsher, een publieke of gezamenlijke taak.

Denk bijvoorbeeld aan de vrije markt, het platform dat nut reguleert. Geen enkele markt is helemaal vrij, om de simpele reden dat actoren misbruik maken van hun macht, kracht of mogelijkheid tot geweld (in wat voor vorm dan ook) om mensen met minder macht, kracht of mogelijkheid tot geweld tegen hun zin of tegen beter weten in iets te laten kopen of verkopen. Je hebt dus een ordeningsplatform nodig dat de macht van marktspelers reguleert, zodat de markt zo vrij mogelijk blijft.

Er moeten maatstaven, standaarden en normen worden afgedwongen zodat overal en voor iedereen dezelfde veiligheidsstandaarden gelden, bedrijven niet hun PFAS in de Biesbosch lozen, niet werken met slaven of dwangarbeiders, of honderduit liegen over van alles en nog wat. 

Hoe de publieke besluit- en uitvoering rondom het afdwingen van maatstaven, standaarden en normen wordt georganiseerd is een tweede. Ook wij zien dat centralistische bureaucratieën niet meer voldoen, maar dat wil niet zeggen dat hun functie overbodig is geworden.

Centralistische bureaucratieën worden gekenmerkt door een krachtige nadruk op proces. Legaal onderbouwde procedures, een sterk hiërarchische verdeling van verantwoordelijkheid, rationele werkrelaties – zo beschreef de Duitse socioloog Max Weber deze in zijn tijd opkomende organisatievorm.

Deze nadruk op proces komt niet uit de lucht vallen, er waren indertijd goede redenen voor. De regels en procedures moesten het willekeurige, anekdotische en het persoonlijke van feodale systemen tegengaan. Systemen gebaseerd op de kennistraditie van de Homo Nobilis, die weer noodzakelijkerwijs waren gebaseerd op patronage en sociale kasten. De regels moesten erop toezien dat iedereen gelijk werd behandeld en dat besluiten ook daadwerkelijk werden uitgevoerd zoals deze waren bedoeld.

Weber was indertijd ook een groot voorstander van professionele bureaucratieën, juist omdat ze eerlijk en efficiënt waren. In ieder geval, in vergelijking met het feodale alternatief.

Maar de nadruk op proces is ook de zwakte van het bureaucratische model. Procesdenken wordt de dominante modus, en dat gaat ten koste van projectdenken en productdenken. Product- en projectdenken zijn namelijk experimenteel, flexibel en onderzoekend. Ze omarmen vallen en weer opstaan, en draaien om vakmanschap in plaats van om professionaliteit. Bureaucratieën selecteren hun personeel bovendien op hun vermogen om te passen in het proces, wat de procesmatigheid versterkt.

Start-ups, laboratoria, werkplaatsen en andere product- en projectgerichte organisaties kiezen hun mensen uit op inhoudelijke kennis.

En dit verklaart zonder twijfel de animositeit tegenover centralistische bureaucratieën van mensen als Andreessen, die als techie vooral werkt met start-ups en vaknerds.

‘Aan een buitenmuur van een Belgische overheidsdienst in Brussel hing tot voor kort een grote thermometer. Dit was geen gewone thermometer, maar een zogenoemde Kafka-index. Ook in Nederland is er een heuse Kafka-brigade werkzaam. Naarstig speurt deze dienst naar manieren om zogenaamd overbodige regels te elimineren, want die zouden de efficiëntie en vrije marktwerking slechts in de weg staan. Ach, arme Franz Kafka. Hoe ijdel wordt zijn naam gebruikt.’ Uit de column ‘Kafka in Brussel’, van Henk van Houten, in De Groene Amsterdammer van 27 mei 2009. Slimme mijmering over bureaucratieën en het werk van Kafka.

Maar het is altijd onverstandig om het kind met het badwater weg te gooien. Dat je de bureaucratie als organisatievorm verfoeit snappen we, maar de functie die ze vervult blijft nog steeds waardevol. We moeten dus zoeken naar organisatievormen die macht kunnen ordenen en die verenigbaar zijn met de samenleving van morgen.

Onze sociale en maatschappelijke instituties worden namelijk vormgegeven in de context van zowel een historisch mens- en wereldbeeld als de dominante informatietechnologie in die tijd. En beide zijn aan het verschuiven. We worden Romantischer (met een grote R) en de Digitale Revolutie begint op stoom te komen. Gezamenlijk zijn ze de twee ingrediënten van wat wij een historische kennistraditie noemen.

Zoals gezegd, identificeren wij een aantal historische kennistradities in de Westerse ‘beschaving’ – de Homo Nobilis, de Homo Economicus en de Homo Romanticus zijn de laatste drie. Hun dominantie loopt synchroon met de historische tijdperken, maar ook nu zijn ze alle drie nog aanwezig.

Een kennistraditie bepaalt hoe we kennis vergaren, duiden, ordenen, opslaan en op waarde schatten. Dit wordt deels bepaald door beschikbare informatietechnologieën en deels door ons mens- en wereldbeeld. Het eerste bepaalt de capaciteit van kennisverwerking in de samenleving en het tweede bepaalt wat wij eigenlijk belangrijk vinden – wat we met die informatie willen doen.

Onze huidige instituties zijn vormgegeven door het objectieve en materialistische mens- en wereldbeeld van de Homo Economicus en door de capaciteit tot informatieverwerking die de boekdrukkunst ons verschafte. Deze instituties hebben we geërfd uit de Moderne Tijd. Denk dan bijvoorbeeld aan ons professionele werkethos, de bureaucratische organisatievorm, loonarbeid als werkrelatie, of de indirecte parlementaire democratie.

Het is niet waarschijnlijk dat deze instituties zich zullen handhaven in het tijdperk van de Homo Romanticus en kunstmatige intelligentie. Onze manier van samenwerken en samenleven zal straks anders worden georganiseerd.

Dat is waarschijnlijk de andere reden dat Marc ‘Netscape’ Andreessen bureaucratieën verfoeit: ze zijn intrinsiek verweven met het gedrukte woord. Maar nogmaals, als je bureaucratieën afschaft zul je nog steeds behoefte hebben aan publieke besluit- en uitvoering die de regulatie van macht op zich neemt.

In de 21ste eeuw zullen we dus opnieuw getuige zijn van een verschuiving in onze sociale en maatschappelijke instituties. We zullen instituties moeten gaan vormgeven die zowel verenigbaar zijn met de digitale samenleving als met de Romantische samenleving. Denk bijvoorbeeld aan coöperatieve en kunstmatig intelligente platformen die vakmensen ondersteunen in (samen)werken, (samen)leren en het nastreven van meesterschap. Gecertificeerde platformen, gebouwd op bijvoorbeeld een Universal Data Commons, die alle processen automatisch borgen.

Zie hier het toekomstscenario dat we twee weken geleden deelden, waarin meesterschap, digitalisering en duurzaamheid wederzijds versterkend hebben uitgepakt.

En dat brengt ons dan eindelijk bij de liefde.

Pfff, hè hè…

Maar eerst weer even terug naar die passage van Andreessen:

David Friedman points out that people only do things for other people for three reasons – love, money, or force. Love doesn’t scale, so the economy can only run on money or force. The force experiment has been run and found wanting. Let’s stick with money.

Volgens Friedman doen mensen alleen dingen voor andere mensen om drie redenen: dwang, geld en liefde.

Nu weten we niet wat hij verstaat onder liefde, maar we nemen aan dat als Friedman iets doet voor zijn buren, hij dit doet uit liefde. Het is onwaarschijnlijk dat hij alleen iets zal doen voor zijn buren als ze hem ervoor betalen of als ze hem het mes op de keel zetten. Dat geeft ons iets om mee te werken.

Als dit zo is, dan is zijn definitie van liefde namelijk erg breed. Dan heeft het wellicht meer te maken met een gevoel van behoren, met gemeenschapsgevoel, met het ervaren van een gedeelde lotsbestemming met anderen. Kortom, met verbondenheid. Iets wat je voelt met je levenspartner maar ook met je culturele gemeenschap.

In tegenstelling tot wat Andreessen en Friedman beweren, valt deze uitleg van liefde wel degelijk te schalen. En het platform dat dit gevoel voor behoren reguleert heet het publiek domein.

We hebben hier al vaak over geschreven, maar voor nieuwe lezers: het publiek domein is de ruimte waarin gemeenschap en sociaal vertrouwen wordt geproduceerd. Het is een functie van de dominante informatietechnologie in een samenleving.

In het tijdperk van het gesproken woord moesten mensen elkaar fysiek ontmoeten om waarden en normen af te stemmen en sociaal vertrouwen te kunnen creëren. In het tijdperk van het gedrukte woord werd dat opeens schaalbaar, door dezelfde kranten en tijdschriften en boeken te lezen ontstond er een gevoel van gemeenschap met mensen die men helemaal niet kende. En nu verschuift het publiek domein naar het internet – de plek waar ‘liefde’ nog verder opgeschaald kan worden.

Uiteraard moet dit nieuwe digitale publieke domein op zo’n manier worden gereguleerd dat het gemeenschappen produceert in plaats van uit elkaar trekt, zoals nu het geval is. Nu wordt het nog als markt gereguleerd, waardoor gebruikers van het internet worden aangesproken als consumenten in plaats van als burgers.

Andreessen is optimistisch over technologie omdat hij denkt dat, als we alles overlaten aan de vrije markt, technologie ons alles geeft wat we nodig hebben. En hierbij citeert hij een andere Friedman; Milton Friedman:

We believe in Milton Friedman’s observation that human wants and needs are infinite.

En omdat hij denkt dat de implosie van de centrale overheidsbureaucratie nabij is, ziet hij de toekomst zonnig in. Eén regulerend platform minder, denkt hij. Van het publiek domein heeft hij waarschijnlijk nog nooit gehoord. Het is ook geen term die bekend is in de economie of in de informatica of in de natuurkunde. 

Wij zijn echter optimistisch over technologie als die gereguleerd kan worden door drie platformen. Dat is dus eentje meer dan nu. Drie platformen die ons aanspreken als burger, als consument/producent en als iemand die ‘liefheeft’.

Misschien zijn menselijke behoeften eindeloos, zoals Friedman beweert, maar ze zijn zeker niet allemaal materieel van aard. Sterker nog, voor de meesten is de behoefte om te behoren, om thuis te komen, om gemeenschapszin te ervaren, om sociaal vertrouwen te voelen, veruit de grootste behoefte. De grootste behoefte is dus ‘liefde’.

Dat is ook wat de meeste aankopen drijft. De meeste aankopen doen we niet omdat we ze nodig hebben maar omdat ze klasse, subcultuur en sociale status markeren. Het zijn materiele simulacra voor ‘liefde’. Het is dus de hoogste tijd voor een gezond publiek domein, waar ‘liefde’ gratis wordt gegeneerd, zodat we er niet de markt voor op hoeven. Scheelt een boel troep.

En het is ook wat de meeste politieke ellende drijft; de onvervulde behoefte aan behoren, vertrouwen en thuiskomen. Aan ‘liefde’ dus. Ook dat kan een gezond publiek domein helen, zodat we er niet de barricades voor op hoeven. Scheelt een boel pijn.

Een gezond digitaal publiek domein, dat behoren reguleert en vertrouwen produceert, balanceert dus ook de staat en de markt. Het is dus, om Andreessen te quoten: time to build. Niet aan de techno-capitalist machine, maar aan de techno-love ecosystem.

It’s all about love, techno-love.

We hadden behoren nooit echt aan liefde gekoppeld maar eigenlijk past dat als gegoten. Dank daarvoor Andreessen, Friedman en Friedman!

❤️+🤖 =❤️❤️❤️❤️❤️

Liefs Edwin & Christiaan

PS: Edwin spreekt op 2 November naast Lucas De Mann, Janna Bystrykh en Japke-d. Bouma op de BNA Architectendag in Amsterdam.

Een dag zit vol met lezingen en workshops over regeneratief ontwerpen waarin vragen worden verkend zoals: Wat zijn de uitdagingen en kansen voor architecten en hoe wordt het al toegepast? Wat zijn effectieve en uitvoerbare verdienmodellen? Hoe overtuig ik mijn opdrachtgever en hoe kun je deze holistische werkwijze toepassen in je dagelijkse praktijk.

Edwin zal vertellen over wat de toegepaste ontwerpdisciplines over het bouwen van onze wereld kunnen van de speculatieve kunsten. Schrijf je hier in (het is gratis).

6 REACTIES

6 Reacties
Oudste
Nieuwste Meest gestemd
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Jaap Versteegh
Jaap Versteegh
3 maanden geleden

Mooie uitgave.
“Van het publiek domein heeft hij waarschijnlijk nog nooit gehoord. Het is ook geen term die bekend is in de economie of in de informatica of in de natuurkunde.”
Dat lijkt me verre van de waarheid. Wis- en Natuurkunde zijn historisch gezien zo ongeveer de grootse onderneming ten behoeve van het algemeen belang, waarin (internationale) samenwerking en bouwen op werk van anderen altijd centraal heeft gestaan. En waar het informatica betreft: Ik zou willen beweren dat de free en open software beweging de eerste grootschalige samenwerking in het publieke domein is. Economie is fundamenteel anders omdat het de studie van schaarste betreft. Dat geldt voor de andere twee juist niet.

Laatst bewerkt op 3 maanden geleden door Jaap Versteegh
Christiaan Fruneaux
Christiaan Fruneaux
3 maanden geleden
Antwoord aan  Jaap Versteegh

Ha Jaap, ik denk dat al die disciplines zeker werken voor het publiek belang maar het concept ‘publiek domein’, ook wel openbaarheid genoemd, is daar nog wat onbekend vermoed ik. Maar wellicht heb ik het mis.

Wat betreft informatica ben ik het helemaal met je eens – ze creëren immers publiek domein maar, gek genoeg, dat wil niet zeggen dat het discours rondom de maatschappelijke functies daarvan bij hen bekend is. Ik heb ze er in ieder geval nooit aan horen refereren.

Zie hier de wiki-lemma in eng over het concept: https://en.wikipedia.org/wiki/Public_sphere

Fons
Fons
3 maanden geleden

Ben benieuwd, waar wat alle zoogdieren drijft; ‘rechtvaardigheids bewustzijn, of behoefte. in het menshomo schema staat? En welke invloed het dan uitoefent?

Dat ‘nut’ in de markt een leidende basis vormt. Betwijfel ik.
Voorbeeld. In Noorwegen zijn artsen aan het omscholen tot plastisch chirurg.
Betaalt beter en de werkdruk en onregelmaat, vallen grotendeels weg.
Net als hier, verdwijnt broodnodig zorgpersoneel, onder deze laag, in het privaat circuit. waar beter betaald wordt.Ten koste van hen die aangewezen blijven door ?door die markt veroorzaakt gebrekig inkomen? op , zoals we sinds Covid weten, belangrijke algemene medische zorg.
In het VK blijkt het zelfs zo dat private zorg zo twijfelachtig functioneert, dat de NHS er ook al weer door overbelast wordt. (De VS? Geen geld geen zorg)

Was homo ?sine? sapiens ooit nomade met veel vrije tijd. Gebonden aan stamregels. Waarin de markt bestond uit wat geruild (misschien veroverd) kon worden. Wederzijds afhankelijk van natuur en anderen. Wordt nu die nomadische nog niet verdwenen eigenschap, ingepast in een passief bestaan en onze nieuwsgierigheid en ‘bewustzijn ontdaan van die 24 uurs aardse connectiviteit, teruggebracht naar een digitaal bestaan . Dat meer en meer iedere werkelijkheid ontbeert. (En steeds onveiliger wordt)

Zelf beschrijf ik het als ‘vreugderoof’.
Maar liefdeloosheid ,onrecht en de vrije markt verenigen zich zichtbaar in de doelloosheid van onderliggend winstbejag. Die zich verder en verder verwijdert van wat algemeen -ook onze- biodiversiteit en mensdom behoeven.
Dat meer ‘derugulatie’ zich daarbij als schreeuwend dogma opwerpt, is even waanzinnig als het excluderend calculerend ,rationeel kan lijken.

Christiaan Fruneaux
Christiaan Fruneaux
3 maanden geleden
Antwoord aan  Fons

Nut is inderdaad een subjectief begrip, iets dat de markt moet reguleren. Wat de een nuttig vindt, vindt de ander onzin. Daarom is er een markt, zodat ieders behoefte een prijs opgeplakt krijgt. En je hebt gelijk, dat werkt niet altijd even fraai.

In jouw voorbeeld zou een libertijnse marktenthousiast zeggen dat de groeiende behoefte aan plastische artsen, zorgt voor een schaarste aan huisartsen in Noorwegen, waardoor de prijs van een huisarts omhoog gaat, wat vervolgens nieuwe mensen naar het vak trekt, waardoor de prijs weer daalt en er een nieuw evenwicht gevonden wordt.

Uiteraard zit er allerlei praktische en morele beperkingen aan zo’n systeem. Je wilt bv dat iedereen toegang heeft tot een huisarts ongeacht de prijs, en je wilt niet dat de periode die zit tussen marktverstoring en herbalans levens kost. Daarom is puur marktdenken ook simplistisch.

Laatst bewerkt op 3 maanden geleden door Christiaan Fruneaux
Hugo Gastkemper
3 maanden geleden

De economie houdt zich bezig met het publieke domein via onder meer het onderscheid tussen private en publieke goederen en diensten, de leer van de openbare financiën en geldschepping door de overheid / centrale bank. Marktregulering is een onderwerp voor meerdere disciplines, waarvan ook de economie.

Christiaan Fruneaux
Beheerder
Christiaan Fruneaux
3 maanden geleden
Antwoord aan  Hugo Gastkemper

Ha Hugo, met publiek domein bedoelen we eigenlijk iets anders, iets wat Habermas de openbaarheid noemde. De ruimte waar gemeenschap wordt geproduceerd. Misschien moeten we het voortaan maar zo noemen want het is inderdaad ietwat verwarrend. Zie hier: https://en.wikipedia.org/wiki/Public_sphere

Onze dossiers