De Alchemist

door Christiaan Fruneaux voor WhiteNoiseDada

Samen met anderen bouwde Lazlo Manusia virtuele werelden. Zijn werk bestond uit het vinden en repareren van storingen, zo noemde men de fouten die de ervaring van een naadloze werkelijkheid, nou ja, verstoorden. Lazlo dwaalde dag in en dag uit door deze werelden. Hij nam iedere geheime deur, reed op elke draak, sprak met iedere avatar en kocht in elke winkel met iedere valuta. En als Lazlo een storing tegenkwam dook hij in de codering, lokaliseerde de transmutatie en repareerde de schade. Dit gebeurde regelmatig. Achterkanten van werelden waren broos. Veranderlijk.
Lazlo leidde een comfortabel leven. Maar ook solitair en voorspelbaar. Hij was op zichzelf. Maar als hij mensen sprak en ze hem vroegen of hij zijn werk en zijn leven niet saai vond, zei hij resoluut nee. Lazlo woonde in Arnhem, een regio in Hyper-Delta, een gigantisch aaneengesloten stedelijk gebied.

Op een dag spotte Lazlo, door het raampje van zijn zelfrijdende shuttlebus, aan het einde van een zijstraat de contouren van iets vreemds. Het was een vluchtige observatie, want zelfrijdend vervoer reed niet langzaam. Wat hij zag deed hem denken aan de uitlopers van een enorme vuilnisberg – of was het een puinstort, of een ingestort gebouw? Een ruïne misschien? Het was nog vroeg in de ochtend. Hij was op weg naar zijn werk. De zon was nog niet op en Lazlo wist dat hij niet zeker kon zijn van wat hij had gezien. Maar diep van binnen wist hij ook dat hij iets had gezien – iets onbestemds. Zijn intuïtie liet hem zelden in de steek. Hij trok zijn schouders op. Niet alles was zijn probleem.
In de maanden daarna volgden meer waarnemingen. Allemaal in het voorbijgaan. En in zijn geestesoog vormden zich langzaam de contouren van een onmogelijke berg puin die op geen enkele kaart stond aangegeven en die in geen enkele nieuwsstroom werd benoemd. Een berg die bovendien groeide. Lazlo nam uitlopers waar op plekken waar hij die eerst niet had gezien. Hij twijfelde. Nader onderzoek zou betekenen dat hij van zijn routines zou moeten afwijken.

Maanden gingen voorbij.

Lazlo woonde in een appartement op de 32ste verdieping van een kazerne, in een woud van vergelijkbare torens. Het uitzicht was daarom beperkt. Maar als hij in zijn eethoek stond, kon hij door een kier tussen de omringende gebouwen de laagbouwvlakte van Arnhems historische binnenstad zien. Iets waar hij, leerde hij pas later, een maandelijkse toeslag voor betaalde. Net als in alle andere hypersteden op het continent waren de historische binnensteden de wijken waar de hogere standen vertoefden. En blijkbaar gaf alleen al het uitzicht op deze wijken extra status. Lazlo haalde zijn schouders hierover op. Hij gaf noch om het extra maandbedrag, noch om de aangeschafte status, noch om de Romantiek van het uitzicht. Normaal gesproken had hij de vitrage dicht.
Maar, voelde Lazlo, normaal werd steeds rekbaarder.
Hij had een telescoop gekocht. Een krachtige. Niet dat je er in een hyperstad mee naar de sterren kon kijken – het was een lifestyle object, zei de verkoper. Een kunstwerk. Een statement in iedere woonkamer. Zeker die van een vrijgezel. Lazlo had geknikt.
‘Is het functioneel?’
‘Absoluut,’ zei de verkoper. ‘Op het moment dat je de telescoop koppelt aan je SSID maakt je AI-assistent hem onmiddellijk verenigbaar met je ecosysteem. Je kan er de opdruk van een T-shirt mee lezen op tien kilometer afstand.’ Hij keek veelbetekenend naar Lazlo. Thuis sloot Lazlo de telescoop aan op zijn VR-bril en richtte hem, door de kier, op de historische binnenstad. Het was iets na achten. De hemelkrabbers van de Hyper-Delta Luchtzuivering Autoriteit zouden volgens de app over niet al te lange tijd klaar moeten zijn met de dagelijkse schoonmaak. Nadat de lucht weer was geklaard, zag Lazlo dat de verkoper gelijk had gehad. Het was een krachtige telescoop.
In het midden van de binnenstad zag Lazlo de berg puin. Via zijn VR-bril stelde hij zijn telescoop bij. En hoe scherper de berg puin in beeld kwam, hoe vager de binnenstad leek te worden. Niet vaag in de zin van onscherp, maar in de zin van vaal. Hoe scherper en kleurrijker de berg, hoe zwart-witter de binnenstad. Het was ook niet zomaar puin, zag Lazlo. Het was afval en schroot. Hij kon afgedankte koelkasten onderscheiden in knallende kleuren. Oude meubels, scherp omlijnd... Door de kier tussen de torens was zijn zichtlijn niet breed, maar de telescoop was verbazingwekkend precies. Lazlo kon bijstellen in micrometers. Hij liet zijn blik over de berg met puin glijden. De details waren ongelofelijk. Net nadat zijn zicht kort was onderbroken door iets wat zijn bril identificeerde als de Sint-Eusebiuskerk, zag hij op de berg een man staan.
Lazlo zoomde maximaal in.
De man rommelde tussen het afval en ging toen zitten op een oude groene stoel, met een missende poot. Hij pakte een apparaatje en richtte die op een scherm dat op een laag tafeltje voor zijn stoel stond. Het scherm kwam tot leven, maar het beeld was te ver voor Lazlo om goed te kunnen onderscheiden. Hij keek weer naar de man op de stoel. Er was iets vreemds aan hem. Hij was klein. Ook leek hij verweerd, of verwrongen, of vertrokken… of gewoon heel oud!? De vraag of het mannetje eigenlijk wel menselijk was kwam plotseling in Lazlo op. Hij deed zijn VR-bril af.
Net als de binnenstad was ook zijn appartement leeggelopen van alle kleur. Terwijl Lazlo om zich heen keek, trok deze vaalheid langzaam weer weg. De scherpe kleuren van de berg afval, van de groene stoel, brandden op zijn netvlies. Lazlo klapte de telescoop op en borg ’m op in de kast.

Opnieuw verstreken de maanden. De waarnemingen bleven komen, maar Lazlo negeerde ze. Dat was niet makkelijk, want na elke waarneming kwamen de kleuren van zijn wereld steeds iets langzamer terug.
Tot ze op een dag helemaal niet meer terugkwamen.

Op een zaterdag, iets meer dan anderhalf jaar na zijn eerste waarneming, liep Lazlo na een licht ontbijtje de deur uit.
Het was winter – hoewel seizoenen weinig betekenis meer hadden. Hyper-Delta en vergelijkbare hypersteden waren zo massief, zo alomvattend, dat ze functioneerden als interieurs. Het waren binnenwerelden. De buitenwereld was niets meer dan een droom. Iets uit vroegere tijden. Alles wat men zag was mensgemaakt. De sterrenhemel: versluierd door kunstlicht. Wind en kou: permanent buitengesloten door de hittekoepel. De meeste bewoners waren in de veronderstelling dat de regen door sprinklers werd veroorzaakt. Iets van de reinigingsautoriteiten. Sommigen wisten wel beter, maar niemand nam de moeite om hen te corrigeren. Maar dit alles weerhield de Deltoids – zoals inwoners van Hyper-Delta bekend stonden – er niet van om zich te kleden naar de tijd van het jaar. Het was januari en in januari deed men een dikke jas aan, en trok men hoge sokken op tot kniehoogte en liep men op gevoerde wandelschoenen. Het was simpelweg wat men deed. Waarom wist niemand. Men noemde het traditie. Het was niet iets waar Lazlo veel mee had. Maar met opvallen had hij nog minder. Die zaterdag liep Lazlo daarom naar buiten met een dikke jas aan, hoog opgetrokken sokken en stevige wandelschoenen.
In zijn rugzak zaten zijn werkterminal en zijn VR-bril.
De storing – want zo begon Lazlo over zijn waarnemingen na te denken – moest maar worden aangepakt. En als hij het niet deed, wie dan wel?

Lazlo liep tussen de gebouwen door in de richting van de kleine oude toren.
Na een uur bereikte hij de oever van een gracht. Op een bijna vergaan bord stond ‘Nederrijn’. Het stromende water vormde de grens van zijn kazerneregio. De historische binnenstad lag aan de overkant. Het was een eiland van laagbouw, omringd door een muur van hyperstedelijke bebouwing. Gedurende zijn wandeltocht had hij geen waarnemingen gehad. Er toornde geen berg uit boven de binnenstad. Het verontrustte hem niet. Storingen waren sporadisch. Het vermoeden was dat ze werden veroorzaakt door overschrijvingen in de codering rondom een speler die nog niet eerder waren voortgekomen. En waarop de wereld-AI’s niet konden anticiperen. Het was een theorie. Zeker weten kon men dit niet. Dat maakte niet uit. Lazlo was iemand naar wie de wereld-AI’s luisterden. Samen streken ze de ervaring van de wereld glad.
Lazlo liep via een loopbrug over de gracht de binnenstad in. Het duurde niet lang voordat hij de kleine toren had gevonden. Het was deel van een veel groter gebouw dat er oud uitzag. Iets uit een fantasiewereld. Hij overwoog om zijn AI-assistent te vragen wat de functie van het gebouw was geweest, maar besloot verder te gaan. Toen hij, iets verder, vanuit de Kerkstraat de Pastoorstraat in keek, zag hij aan het einde daarvan een uitloper van de berg schroot. Opnieuw leek Hyper-Delta, de wereld die hij al zijn hele leven kende, aan kleur en resolutie te verliezen. De uitloper met schroot, afval, troep en afgedankte spullen kwam hem werkelijker, wakkerder over dan… dan alles wat Lazlo tot nu toe had ervaren – had gevoeld. Het was waarachtig – dat was het juiste woord. Hij liep ernaartoe en begon te klimmen.

Al snel merkte Lazlo dat niet alleen de kleuren meer uitgesproken waren. Alles aan de berg met afval was echter. Het was stinkender, scherper, pijnlijker. Op de helling haalde hij zijn handen en knieën open aan afgedankte roboticaonderdelen, roestende autowrakken en allerhande weggegooide gereedschappen. Hij zakte tot zijn heupen weg in fermenterende vuilniszakken. Ontweek lekkende vaten met chemisch afval. En hoe hoger hij kwam, hoe sterker de windvlagen. Wervels fijn plastic en verrafelde vezels vulden zijn mond en ogen en benamen hem het zicht op de vervagende hyperstad. Het lag als een gruizig laagje over alles heen.
Af en toe, in kortstondige luwten, keek Lazlo even uit over de nu bijna doorzichtige daken van de binnenstad. De wal aan hyperbanen en woonkazernes leek niet meer zozeer ruimtelijk veraf, bedacht Lazlo, maar voelde als een afdrijvend verleden.

Na wat aanvoelde als een uur ontdekte Lazlo een pad. Het draaide tien meter lager om een enorm half begraven, half in de lucht stekend rotorblad heen. Op het pad ontdekte Lazlo dat het was geplaveid met een dikke laag ongebruikte kleren. Zacht verend liep hij verder. Eenmaal op het pad leek de wind iets te gaan liggen. Buiten het pad leek de gruizige storm juist toe te nemen. Het uitzicht werd nog steeds geblokkeerd door rondvliegend afval.

Nu Lazlo minder aandacht hoefde te besteden aan de klim en alles wat beter kon bekijken, viel het hem op dat het meeste afval helemaal niet stuk was. Het was simpelweg weggegooid. Hij liep langs velden vol afgedankt speelgoed en langs wanden gestapelde transportcontainers vol nooit gebruikte spullen. Lazlo dacht aan de telescoop in zijn kast.

Hier en daar verschenen geënsceneerde decors langs het pad.
Zo had iemand iets wat leek op een slaapkamer gemaakt. Een tweepersoonsbed van bundels rafelige kleren, volle vuilniszaken als kussens, met een nachtkastje van nooit gelezen technische handboeken. Een nachtlampje erop, gemaakt van een omgekeerde koekenpan. En iets wat Lazlo deed denken aan een kledingrek, met hangers van gevlochten metaaldraad, met rafelige stoffen klapperend in de wind. Alles bedekt met een laagje gruis.
Simulacra, dacht Lazlo, gemaakt van brokstukken.
Het pad kronkelde om een roestige, rechtopstaande scheepsromp heen, waarna de kam zich opende boven een overhangende klif van industriële onderdelen. Lazlo zag het mannetje zitten op de groene stoel, kijkend naar een scherm van bordkarton. Lazlo bewoog zich niet. Het mannetje kwam hem bekend voor. Hij had een grijzige huid en was bijna doorzichtig – van ouderdom, besefte Lazlo. Het mannetje had hem niet opgemerkt. Hij keek naar het scherm en friemelde aan wat aan elkaar geknoopte lakens. Op een gegeven moment stond hij op en liep naar de rand, waar hij met de lakens een constructie verstevigde die Lazlo vaag deed denken aan zo’n luxueuze zelfrijdende shuttle, waar zijn opdrachtgever af en toe mee naar zijn werk kwam. Iets verderop stond een kapotte telescoop. Dezelfde als die in zijn kast, merkte Lazlo op. De telescoop was met een wollen draad aan het bordkartonnen scherm geknoopt. Hij bouwt de wereld beneden hem na, dacht Lazlo. Het mannetje vervaagde nu. Hij zag de schim via een pad aan de andere kant van de kam afdalen en verdwijnen. Lazlo liep naar de groene stoel, ging zitten en keek naar het scherm. Op het scherm was een weelderige groene wereld te zien, een jungle die groeide tussen, over en door vreemde verticale rotsconfiguraties. De lucht was vol met vogels. Hij pakte de afstandsbediening van de telescoop, die op de armleuning van zijn stoel lag. Hij zoomde in. In de vallei tussen de verticale rotsconfiguraties liep een rivier. Lazlo zag kinderen. Ze klommen op vlotten, sprongen van overhangende takken, slingerden aan een soort lianen. Hij keek naar de afstandsbediening in zijn hand en drukte op un-mute. Uit het scherm kwam nu het geluid van lachende en schreeuwende kinderen. Lazlo voelde iets geks bij zijn ogen. Hij huilde.

Hij keek naar zijn rugzak, die lag naast de stoel. Zijn werkterminal en zijn VR-bril? Nee, dat zou niet werken. Niet hier. Hij wist wat hij moest doen.

Hij scharrelde tussen de bomen.
Een dicht woud, door hem gemaakt.|
Hij was oud nu. Maar nog lang niet klaar. Hij zocht alleen naar het juiste materiaal.
Niet alles transmuteert. Hij wist dit soort dingen. Dit was zijn vak.
Een licht briesje droeg kinderstemmen van beneden.
En de geur van bloemen.